Vervolg 2. Robert
Culturele betekenis, Karolingische renaissance.Het signum van Karel de Grote onder een op 31 augustus 790 in Kostheim uitgevaardigde oorkonde: eigenhandig geschreven is slechts de V-vormige "Vollziehungsstrich" binnen de ruitvormige O van het zogenaamde "Karelmonogram", waardoor de bovenste helft van de O tegelijkertijd als A (voor KAROLVS) wordt gelezen. De lineaire tekst aan weerszijden van het kruisruitmonogram luidt Signum Karoli gloriosissimi regis ("Zegel van de meest glorierijke koning Karel").
Nuvola single chevron right.svg Zie Karolingische renaissance voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Karels heerschappij staat op cultureel vlak bekent als de periode van de zogenaamde Karolingische renaissance. Kunst, literatuur en architectuur kenden een ongewone heropleving.
Karel bracht de belangrijke geleerden van zijn tijd aan zijn hof bijeen, waaronder de Angelsaksische geleerde Alcuinus als hoofd van de Domschool van Aken, de Langobarden Paulus Diaconus en Petrus van Pisa, de Visigoten Theodulf van Orléans en Angilbert en Einhard (ook wel Eginhard genoemd). Hildebold, de eerste aartsbisschop van Keulen, was Karels kanselier en aartskapelaan van zijn hof. De door Karels hof ingevoerde Karolingische minuskel (Carolina), een uit kleine letters bestaand boekschrift, was onder andere het voorbeeld voor het vandaag de dag nog veelgebruikte lettertype Antiqua. Er ontstond hier onder het waakzame oog van de keizer voor enkele decennia een intellectueel centrum met een zeer stimulerende intellectuele sfeer en met een uitstraling die reikte tot in alle uithoeken van het rijk. Haar vitaliteit en creativiteit had het te danken aan de persoonlijke interesse van de heerser evenals het engagement van de daardoor aangespoorde betrokkene geleerden, literatoren en kunstenaars, maar vooral het feit dat een onderwijsconcept de gemeenschappelijke grondslag vormde, die voor alle in dit opzicht vruchtbare tijdvakken gemeenschappelijk is, namelijk het geloof in de intrinsieke waarde van het onderwijs buiten al het nut ervan voor machtspolitieke, kerkelijke, theologische of economische doelen, die men evenwel ook in gedachten had.
De septem artes liberales, waarvan het volledige herstel van het in de late oudheid ontwikkelde concept het doel was, vormden zeker geen doelgerichte, op onmiddellijke aanwendbaarheid van technische vaardigheden gerichte afgesloten leerprogramma’s, maar verschaften een formele vorming met een taalkundig-literair zwaartepunt als uitgangspunt voor een levenslang leren, ook na het afsluiten van de eigenlijke vormingsfase, opdat het voor leidinggevende en verantwoordelijke functies geschikte persoonlijkheden met de nodige algemene vorming en dienovereenkomstig verruimde intellectuele horizon zou voortbrengen. „Mij is het duidelijk voldoende om de wijsheid om haarzelf na te streven.“, zo vatte de mogelijk meest uitgesproken „humanist“ onder de Karolingische geleerden, Lupus van Ferrières, in zijn beroemde voorstellingsbrief aan Einhard[88] rond 830 weemoedig op de gouden tijd onder Karel de Grote terugblikken deze onder Lodewijk de Vrome reeds weer bedreigd vormingsidee van de Karolingische renaissance vol zorgen om de toekomst als het ware bezwerend samen. Dat dit niet louter lippendienst was, laat zich aan de werken aflezen, met dewelke zich Lupus en andere zijnsgelijken bezighouden en die zij zelf schreven.
Volgens Einhard was Karel de Grote ook in de instandhouding van zijn moedertaal (lingua propria) zeer geïnteresseerd, met andere woorden de West-Germaanse idiomen van de Franken (vgl. Ripuarisch, Moezelfrankisch, Frankisch, Oudhoogduits). Zo gaf Karel aan zijn geleerden de opdracht om een grammatica voor zijn moedertaal op te stellen. Daarbij kan het ook slechts om een letterkundig werk zijn gegaan. Daarenboven liet Karel „barbaarse“ (d.i. in het Germaanse respectievelijk de volkstaal) „en zeer oude (helden)lieden, in dewelke de daden en oorlogen van oude koningen werden bezongen, opschrijven“. In welke taal en onder welke vorm dit werd neergeschreven (in het Latijn of het Oudhoogduits, als regesten of in liedvorm), is onduidelijk. Deze verzameling is om onbekende redenen niet bewaard gebleven. Karels zoon Lodewijk de Vrome werd in de nieuwe tijd menigmaal ten onrechte voor het verlies ervan verantwoordelijk geacht. Bij Einhard wordt verder ook vermeld, dat Karel de Latijnse benamingen van de winden en de maanden zelfs in het Frankische vertaalde, zo noemde hij januari wintermaand (Wintarmanoth), mei weidemaand (Wunnimanoth), december heiligemaand (Heilagmanoth). Ook werd voor een verzameling van de belangrijkste wetteksten, zowel van het volks- en stamrecht alsook van de Capitularia, gezorgd. Belangrijke kerkelijke tekst zoals de Latijnse Bijbel, de zogenaamde Vulgata, de regel van Benedictus en het Sacramentarium van Paus Gregorius de Grote werden van taalkundige verloedering gereinigd en in modelexemplaren voor verveelvoudiging beschikbaar gesteld. Door de hofbibliotheek werden zeldzame teksten aan de kathedraal- en kloosterbibliotheken ter afschrift ter beschikking gesteld. Boekenbestanden werden in boekenlijsten opgenomen en desideratalijsten opgesteld. Al deze activiteiten beoogden allereerst ooit de systematische sortering, registratie en inventarislijst van de gehele overgeleverde cultuurtraditie, om op dit fundament te kunnen verder bouwen.

Einhard (Karels biograaf en leider van de Domschool als opvolger van Alcuinus, die in 796 het hof verliet en abt van Saint-Martin de Tours werd – mogelijkerwijs hield zijn overstap verband met zijn openlijke kritiek op de koning zijn houding tegenover de Saksen), spreekt ook over zijn omvangrijke bouwactiviteit. In de eerste plaats wordt daarmee de „wonderbare“ Paltskapel in de Akener koningspalts bedoeld, die in de laatste 20 jaar van zijn leven zijn lievelingspalts werd, bij wijze van spreken een soort van „hoofdstad“ ten Noorden van de Alpen. Voor deze zou hij zelfs zuilen en grootse Marmerstukken uit Rome en Ravenna hebben laten overbrengen. Ook een ruiterstandbeeld van Theoderik de Grote liet hij uit Ravenna naar Aken overbrengen, waar Walahfrid Strabo in zijn gedicht De imagine Tetrici postuum kritiek op uitte. Daarnaast vermeldt Einhard ook een houten brug over de Rijn bij Mainz, die echter al snel weer was afgebrand, zoals ook de bouwaanvang van een tweede paleis bij Ingelheim en Nijmegen.
Kloosters werden onder andere in Sankt Gallen (het huidige Zwitserland) en op het eiland Reichenau (Bodenmeer) (zie ook: Abdij van Reichenau), in het ingelijfde Beieren in St. Emmeram bij Regensburg, in Freising en aan de Tegernsee (belangrijkste Benedictijnenabdij van Opper-Beieren, in 817 tot de meest welgestelde kloosters in het rijk van keizer Lodewijk de Vrome gerekend), in het huidige Oostenrijkse Mondsee (daar was ook Salzburg sinds de Avarenoorlogen van 791 tot 799 een centrum van de Missie) alsook in Fulda en in Trier opnieuw gesticht, tot abdijen verheven of ondergingen een aanzienlijke stijging in hun aanzien. Zij werden de drijvende kracht van de onderwijshervorming, die door Karel was begonnen, en werden derhalve veelvuldig uitgebouwd en uitgebreid. Voor de Abdij van Sankt Gallen bijvoorbeeld was de periode van de 9e tot de 10e eeuw een Gouden Tijdperk. Het daar omstreeks 790 ontstane Latijns-Duitse woordenboek Abrogans wordt beschouwd als het alleroudste Duitse boek. Tenslotte waren het ook monniken, die begin 9e eeuw de edelroos naar Midden-Europa invoerden en de tuinbouw in het algemeen aanzienlijk professionaliseerden.

Een gekende bron voor de economische geschiedenis (in het bijzonder die van de land- en tuinbouw), is de landgoederenverordening Capitulare de villis vel curtis imperii, die door Karel de Grote als een gedetailleerd voorschrift over het beheer van de kroondomeinen werd afgekondigd. In hoofdstuk 70 van de Capitulare worden 73 voedingsgewassen (inclusief geneeskruiden) en 16 verschillende fruitbomen beschreven, die in alle keizerlijke landgoederen door de beheerders waren aan te planten. In dit document werd ook aangedrongen op het bijhouden van een geschreven administratie en een regelmatige verantwoording van het beheer.

Over het leven en werken van Karel de Grote ontstonden na zijn dood vele sagen, onder andere de Karelromans en chansons de geste (Roelandslied). Als Latijnse tegenhanger van het Oud-Franse Roelandslied werd tussen 1130 en 1140 de Historia Karoli Magni et Rotholandi geschreven. Naast het Roelandverhaal beval de pseudo-Turpin de legende, dat Karel de Grote naar het graf van Sint-Jakobus in Santiago de Compostela was gegaan en het van de Saracenen had bevrijd. De historische Karel de Grote daarentegen is niet naar Compostela gekomen, en zijn strijd in Noord-Spanje in 778 verliep niet zeer roemrijk (Zie: Krijgstochten tegen de Moren). Omstreeks 1200 werd de Historia Karoli Magni et Rotholandi door een onbekende auteur onder de titel Karolellus in hexameters overgezet.

Daarnaast ontstond in de Hoge Middeleeuwen de legende, dat Karel de Grote naar het Heilig Land was getrokken, de Heidenen uit Jeruzalem had verdreven en hiervoor was beloond met waardevolle relikwieën, waaronder de Doornenkroon van Christus. Nadat het motief van de Karel de Grote zijn reis naar het Oosten reeds in de Chronicon van Benedictus monachus (Benedictus van Sant’Andrea del Soratte) aan het eind van de 10e eeuw opduikt, komen we de volledig uitgewerkte legende voor het eerst tegen in de in 1053/54 in het klooster van Saint-Denis opgestelde Descriptio clavi et corone domini ("Beschrijving van de nagels [van het Kruis] en de [Doornen-]kroon van de Heer"). De historische Karel de Grote is echter nimmer naar Jeruzalem afgereisd, maar had in werkelijkheid voor zijn diplomatieke inspanningen voor het welzijn van de christenen in het Heilige Land enige relikwieën uit het Heilig Graf gekregen.
De graven van de Züricher stadspatronen Felix en Regula zouden door Karel de Grote zijn herontdekt. Deze had ooit eens een hert van Aken tot aan Zürich achtervolgd, toen zijn paard plotseling door de knieën ging, om de graven van de heiligen reverentie te bewijzen. Karel had daarop het gebeente laten opgraven en ter ere van de heiligen de kerk en de proosdij Grossmünster gesticht. De graven van de Heiligen waren tot de Reformatie in de zogenaamde Zwölfbotenkapelle toegankelijk voor de pelgrims. In diezelfde kapel werden ook relikwieën van Karel de Grote bewaard, die in 1233 naar Zürich waren overgebracht.

De Frankische of Karelromans (ook wel Karelepiek genoemd) met Karel de Grote als centrale figuur zijn de oudste soort ridderromans. Originele versies uit de tijd waarin deze teksten werden geschreven bestaan nauwelijks. Wat we nu kennen zijn ofwel fragmenten ofwel complete, maar omgewerkte versies die pas werden gedrukt in de 15e en 16e eeuw. Wat deze Karelromans gemeenschappelijk hebben is dat ze zich elk baseren op een Franse chanson de geste ("heldenlied").
Zo gaat het Middelnederlandse Roelantslied uit het begin van de 13e eeuw terug op het Franse Chanson de Roland dat dateert van ca. 1100. Hierin wordt verteld hoe de achterhoede van Karels leger door moslims wordt aangevallen. Als christelijke helden worden hier Roelant en Olivier opgevoerd, en natuurlijk worden ook de Spaans-Arabische moslims (de Saracenen) als krijgshaftig voorgesteld. In werkelijkheid vond deze historische gebeurtenis plaats in de Pyreneeën bij Ronceveaux, en de aanvallers en overwinnaars waren geen moslims maar Basken.
Reinout van Montalbaen baseert zich op het Franse Renaud de Monteban en verhaalt over de ruzie en de strijd tussen Karel de Grote en de familie van de Graaf van Aymont, wiens kinderen bekend zijn als de vier Heemskinderen (van ’Haymijns kinderen’). Dankzij hun wonderpaard Beyaert maken zij het Karel flink lastig, maar uiteindelijk moeten ze zich onderwerpen aan het feodale gezag. Voor het ros Beyaert, het lievelingsdier van Reinout, de jongste van de vier heemskinderen, loopt het niet zo goed af, want Karel eist als teken van onderwerping dat het paard verdronken wordt in de Maas. Van deze epische tekst bezitten we echter nog slechts fragmenten. Het verhaal is ons wel overgeleverd uit een in de late middeleeuwen gedrukte prozatekst met de titel De historie van de vier Heemskinderen.
Karel ende Elegast uit de 13e eeuw is mogelijk de bekendste roman van deze groep. Over de auteur weten we niets. Het thema is hier het belang van feodale trouw en vertrouwen in God. We zouden daaruit kunnen afleiden dat het verhaal waarschijnlijk bedoeld was om in aristocratische kringen te worden voorgedragen. Het onderscheidt zich van andere Karelepiek doordat er veel minder in gevochten wordt en ook omdat het zo kort is: slechts 1414 versregels. Vandaar dat sommige letterkundigen het eerder als een soort novelle (een korte vertelling) beschouwen dan als een epos.

Onder de middeleeuwse heersers neemt Karel de Grote ook met betrekking tot de omvang en het belang van zijn voortleven in de herinnering een unieke positie in, in vergelijking met Otto de Grote, Frederik Barbarossa of Frederik II. Deze begint strikt genomen reeds met de ter bewaring van de memoria (herinnering) en de verzekering van de gebedsherdenking opgerichte graftombe in de Paltskapel te Aken.

Nadat Karel de Grote op 28 januari 814 was overleden, werd hij begraven in zijn eigen kapel te Aken, die de kern van de huidige kathedraal vormt.
Het lichaam van Karel de Grote is al enige malen gezien, doordat de sarcofaag en zijn latere grafkist enkele malen werden geopend. Voor de eerste maal gebeurde dat in 1166. Toen werd de talisman van Karel de Grote gevonden. In werkelijkheid lag het skelet in een hergebruikte Romeinse sarcofaag.
Karel de Grote werd nog op zijn sterfdag zelf in de Paltskapel van Aken bijgezet. De precieze plaats is onbekend. Lange tijd gold het eenmalige atrium (d.i. het huidige westelijk deel van de Dom van Aken) als de meest waarschijnlijke plaats. Evenwel werd tijdens een drie jaar durende zoektocht (tot mei 2010) geen graf in de buurt van de huidige dom gevonden. De oudste vondsten in het huidige westelijk deel werden tot de 13e eeuw gedateerd en zijn dus duidelijk jonger dan een mogelijk graf van Karel de Grote. Volgens sommige archeologen bestaat echter de mogelijkheid dat het graf nog verder westwaarts, onder het huidige domhof, kan liggen.

Volgens Einhard richtte men over het graf een vergulde arcadeboog met een standbeeld (van Karel de Grote) en een inscriptie op. Dit monument werd vermoedelijk kort voor de Normanneninval van 882 verwijderd, waardoor Karels graf niet gevonden en geplunderd kon worden. Bij zijn oponthoud in Aken in mei 1000 liet Keizer Otto III het graf van Karel de Grote zoeken en openen. Volgens drie van onze bronnen werd bij deze grafopening Karels lijk in een grafkamer geheel ongeschonden, in vol ornaat, bedekt door een sluier en op een troon zittend gevonden. De geloofwaardigheid van dit relaas heeft voor grote controverse gezorgd, aangezien een bijzetting van Karel gezeten op een troon in 814 zeer ongebruikelijk zou zijn geweest en ook niet door de archeologische bevindingen wordt ondersteund.
Bij Karels heiligverklaring in 1165 en de daarmee verbonden elevatio moest zijn graf een tweede maal worden gezocht. Keizer Frederik I Barbarossa had daarbij een „goddelijke ingeving“ om het ter bescherming tegen vijanden onherkenbaar gemaakte graf terug te vinden. Barbarossa’s kleinzoon Frederik II bracht in 1215 het gebeente van Karel de Grote over in de vergulde Karelschrijn, die vandaag de dag in het koor van de dom van Aken staat.

Omstreden is wanneer Karels gebeente in de eveneens beroemde, vandaag de dag in de domschatkamer van Aken opgestelde Romeinse Proserpinasarcofaag uit de 2e eeuw, is bijgezet. Hägermann houdt een in 814 plaatsgevonden bijzetting van Karel in deze sarcofaag voor twijfelachtig, daar voor 814 de teraardebestelling van Karel wel is gedocumenteerd, maar dat geldt niet voor de marmeren sarcofaag. Bovendien is het onwaarschijnlijk dat men een zo prachtig met reliëf versierde sarcofaag in de kerkbodem verzonk. Hägermann vermoedt daarom, dat de Proserpinasarcofaag pas in 1165 na de blootlegging van het graf van Karel de Grote door Frederik I Barbarossa ter bewaring van het gebeente van Karel werd gebruikt, tot deze dan later deels in de vergulden Karelschrijn, deels in een armreliquiarium wordt bewaard.

Op initiatief van keizer Frederik Barbarossa werd Karel de Grote op 29 december 1165 door Reinald van Dassel, aartsbisschop van Keulen, met de goedkeuring van de tegenpaus Paschalis III, heilig verklaard. Deze heiligverklaring werd niet geaccepteerd door paus Alexander III, waardoor zijn feestdag (28 januari) niet officieel werd erkend. Maar de curie heeft daarna nooit bezwaar gemaakt tegen deze heiligverklaring, en sinds 1176 wordt de verering van Karel de Grote als Zalige in de steden Aken en Osnabrück door de katholieke kerk eerder getolereerd. De Karelverering kende haar hoogtepunt in de late middeleeuwen. Tot op vandaag dragen kerken Karels naam, zoals bijvoorbeeld de parochiekerk in het Westfaalse Wiedenbrück St. Caroli Magni et beati Aegidii.
In de Dom van Aken en in de Dom van Frankfurt wordt jaarlijks op 28 januari een Karlsamt naar een uit de 15e eeuw overgeleverd liturgie gehouden. Onderdeel van de Karlsamt zijn de Urbs Aquensis (of Karlssequenz), een Latijnse lofzang op de stad en de keizer alsook de eveneens Latijnse Kaiserlaudes met lofbetuigingen aan Christus en voorbidden voor Kerk, paus, bisschop, het Duitse volk en alle regeerders. De preek wordt door een lid van een Europese bisschoppenconferentie gehouden.
Anders dan in de Rooms-Katholieke Kerk werd de gedenkdag van Karel de Grote op 28 januari door de Evangelische Kerk in Duitsland officieel erkend: het is sinds de opstelling van de Evangelische naamkalender in 1969 in deze opgenomen.

Er zijn geen contemporaine beeltenissen van Karel de Grote overgeleverd. Een van de oudste voorstellingen van Karel is afgebeeld in het Sacramentarium van Karel de Kale van rond 870, dat hem in Karolingische kleding toont en biedt aldus een representatieve voorstelling van een hoogadellijke persoon uit de tijd van de Karolingen (zie hiernaast). Een kopie uit de 10e eeuw naar ene verloren origineel uit de tijd van Lodewijk de Vrome toont Karel de Grote in dispuut met koning Pepijn van Italië. Uit de tijd van Karel de Kale (jongere School van Metz, ca. 870) stamt de beroemde bronzen ruiterstatuette van het Louvre in Parijs, die waarschijnlijk als een herdenkingsbeeld van Karel de Grote, mogelijkerwijs echter ook als een voorstelling van Karel de Kale zelf is te bestempelen.
Sindsdien werden telkens in een aan de stijl van die tijd beantwoordende beeldtaal over Karel de Grote en zijn uiterlijk voortgebracht, die echter niets met de werkelijkheid hadden te doen, maar zijn daardoor belangrijke getuigenissen van de receptiegeschiedenis en als projecties van hunkeringen, legitimatiebehoeftes en machtsfantasieën van de toenmalige tijd op de eigen geschiedenisbeelden te zien. Typisch voor deze voorstellingen van de historieschilderkunst, die sinds de 19e eeuw, het tijdperk van het historisme, met een wetenschappelijke waarheidsaanspraak optrad – theoretici van deze beweging als Max Schasler beriepen zich op de categorie van het waarschijnlijke – en aldus ingang in de geschiedenisboeken van die tijd vond, zijn bijvoorbeeld Albrecht Dürer’s afbeeldingenplaat, dat zich tegenwoordig in het Germanisches Nationalmuseum bevindt, of de fresco’s van Alfred Rethel in de raadhuiszaal te Aken (ontworpen 1840-45; realisatie 1847-51; nadat Rethel was ziek geworden voltooiing van de cyclus door Rethel’s leerling Joseph Kehren in afwijkende stilisering). Ook in de Römer in Frankfurt (Philipp Veit) en in de Münchner Residenz (Julius Schnorr von Carolsfeld) ontstonden destijds Keizerzalen met beeltenissen van Karel de Grote.
Opvallend is de reeds in de tijd van de Ottonen letterlijk te verstane verheffing van zijn persoon.
Van Europees belang is de in 1996 gevonden gouden solidus, de tot nu toe enige gevonden goudmunt met de beeltenis van Karel de Grote, die in het museum van de Keizerpalts Ingelheim wordt bewaard.

Voorbeelden van standbeelden en monumenten van Karel de Grote:
Zandstenen standbeeld van Gustav Blaeser voor de in 1850/51 door Ludwig Ferdinand Hesse gemaakte „Dreikönigstor“ in het park van de Friedenskirche in het slotpark Sanssouci in Potsdam
Zandstenen standbeeld van Ernst Rietschel aan de zuidkant van de Gemäldegalerie in Dresden
Zandstenen standbeeld van Johann Nepomuk Zwerger voor het Historisches Museum in Frankfurt am Main; dit werd in 1843 voor de duizendste gedenkdag van de rijksdeling in het Verdrag van Verdun gemaakt en stond oorspronkelijk op de Oude Brug, om aan de mythische stichter van de stad te herinneren.
Een gedenkplaat voor hem werd opgenomen in het Walhalla bij Regensburg.

Hij was van lichaam groot en krachtig, van gestalte buitengewoon (groot), die toch de normale (verhoudingen) niet overschreed - want zijn lengte is geweten zeven (keer) de afmeting van zijn (eigen) voeten te zijn geweest -, de top van zijn hoofd (was) rond, (zijn) ogen buitengewoon groot en levendig, (zijn) neus een weinig het middelgrote overstijgend, mooi grijs haar, vrolijk en opgewekt van gelaat. Aldus verwierf hij door zijn uiterlijk meer autoriteit en waardigheid (uit) zowel staand als zittend; hoewel zijn nek dik en kort (was) en (men) zijn vooruitstekende buik kon zien, werd dit echter door de gelijkmatigheid van zijn overige lichaamsdelen verhuld. Zijn manier van lopen (was) zeker en heel zijn uiterlijk was mannelijk; zijn stem (was) inderdaad helder, maar dit was minder dan men (op basis van) zijn lichaamsbouw zou verwachten.
Er zijn geen gelijkende portretten van Karel bekend, maar wij weten van zijn biograaf Einhard dat hij buitengewoon groot was. Doordat zijn skelet in Aken is bewaard gebleven, hebben archeologen in 1861 zijn skelet kunnen nameten. Ze laten zien dat Karel 1,92 m lang was en uitzonderlijk fors gebouwd. Een recente studie (2010) van het scheenbeen van Karel de Grote stelt dat hij tussen 1,79 en 1,92 m lang moet zijn geweest. Vooral in een tijd waarin de gemiddelde man 1,69 m mat, was dit bijzonder groot.

Net zoals de eigennamen van Caesar en Augustus later heerserstitels werden, vond vermoedelijk ook de naam van Karel de Grote ingang in vele Slavische talen: zo is van de Latijnse vorm Carolus het Russische korol, het Poolse król, het Tsjechische král en het Servische, Kroatische en Sloveense kralj afgeleid dat "koning" betekent. De Turkse term kral voor koning is eveneens afgeleid van Karel de Grote zijn naam.

In februari 2005 ontdekte de archeologe Mechthild Schulze-Dörrlamm van het Römisch-Germanisches Zentralmuseum in Mainz in een magazijn van het Landesmuseum Mainz het fragment van een met randdecoratie versierde armleuning van een kalkstenen zetel, die overkomend als koningstroon, in deze context mogelijk Karel de Grote, wordt gezien. Tegen deze interpretatie kan worden ingebracht, dat Mainz niet geattesteerd is als Karolingische keizerpalts.

Op grond van de decoratie werd het fragment in de tweede helft van de 8e eeuw gedateerd. Daarmee was het mogelijkerwijs deel van een troon, die ouder dan Karel de Grote zijn koningstroon van Aken zou zijn (deze gold lange tijd als oudste troon op het grondgebied van het huidige Duitsland).

Het fragment lag na zijn opgraving in 1911 zonder herkend te worden in het magazijn van het museum. De vondst werd gedaan in de binnenstad van Mainz. De vindplaats lag in de buurt van de in 1880 bij straatwerken ontdekte keizerinnensieraden uit het midden van de 11e eeuw alsook in de buurt van een andere schatvondst uit 1904.

Hij is weduwnaar van Himiltrude, met wie hij trouwde (1), 20 of 21 jaar oud, in 768 in ?. Hij trouwde (2), 21 of 22 jaar oud, in 769 in ? met Desiderata. Dit huwelijk werd ontbonden in 771 in ?. Hij trouwde (4), 35 of 36 jaar oud, in 783 in ? met Fastrade. Hij trouwde (5), ongeveer 48 jaar oud, omstreeks 795 in ? met Luitgarde.
Hij trouwde (3), 23 of 24 jaar oud, in 771 in ? met de 12 of 13-jarige
964824509449 Hildegarde van de Vinzgau, geboren op 04-05-758 in Thionville. Zij is overleden op 30-04-783 in ?, 24 jaar oud. Zij is begraven in abdij van St Arnulf te Metz.
Notitie: Hildegard (4 mei 758 - Thionville, 30 april 783) was een dochter van de belangrijke Frankische edelman Gerold van Vintzgouw en Emma. In 771 werd zij de derde vrouw van Karel de Grote. Ze is begraven in de abdij van St Arnulf te Metz.

Karel wilde haar zo graag tot vrouw, dat hij zijn vorige vrouw zonder geldige aanleiding verstootte en daarmee ook zijn bondgenootschap met de Longobarden om zeep hielp, maar het politieke belang van Hildegard als lid van een prominente Schwabische familie was misschien groter. Ook was Hildegard volgens heersende opvattingen te jong om te trouwen (ze was 13) en zeker te jong om direct al kinderen te krijgen (ze kregen hun eerste kind toen ze 14 was). Hun huwelijk werd dan ook algemeen als ongeldig beschouwd, totdat de paus als wederdienst voor de politieke hulp van Karel in 774 (dus na 3 jaar) het huwelijk alsnog erkende. Hildegard volgde Karel op de meeste van zijn tochten en kreeg ook een aantal kinderen in Italië, Saksen en Aquitanië. Na 12 jaar huwelijk en 9 zwangerschappen stierf Hildegard in het kraambed. Kort voor haar dood heeft ze nog een schenking gedaan aan de abdij van St Arnulf in Metz. Ook Karel schenkt deze abdij een hof op de dag na haar overlijden en Hildegard werd daar begraven.

Zij richtte vele kloosters en kerken op. Zo stichtte zij onder meer de abdij van Kempten. Hildegard is zalig verklaard. Haar feestdag is op 30 april. Zij is de patroon van de zieken.

De kinderen van Hildegard en Karel waren:
1.Karel de Jongere (772-811), koning van Neustrië
2.Adelais (773-774), geboren tijdens het beleg van Pavia, maar overleden op de terugreis. Begraven in de abdij van St Arnulf te Metz
3.Pepijn (773-810), koning van Italië (heerste van 781 tot 810).
4.Rotrudis (775-839), verloofd met keizer Constantijn VI van Byzantium maar de verloving werd verbroken. Minnares van graaf Rorico van Maine.
5.Bertrada (775-825), minnares van Angilbert, abt van Sint-Riquier. Door Lodewijk de Vrome van zijn hof verbannen toen hij keizer werd.
6.Lodewijk de Vrome (778-841), koning van Aquitanië, keizer (heerste van 814 tot 840)
7.Lotharius (778-779), tweelingbroer van Lodewijk, jong overleden
8.Gisela (781 - rond 800), gedoopt in Milaan
9.Hildegard (783 - 783), 40 dagen oud geworden en begraven in de abdij van St Arnulf te Metz. Hildegard overleed aan de complicaties na haar geboorte.


Kind uit dit huwelijk:

I. Lodewijk de Vrome, geboren op 11-04-778 in Chasseneuil ( Franrijk ) (zie 482412254724).

Generatie 41 (vooroudbetovergrootouders)
1929649018896 Pepijn de Korte, geboren in ?. Hij is overleden in ?.
Hij trouwde met
1929649018897 Bertrada van Laon, geboren in ?. Zij is overleden in ?.

Kind uit dit huwelijk:

I. Karel de Grote, geboren op 02-04-747 in Herstal ( Belgie ) (zie 964824509448).


1929649018898 Gerold van Vintzgouw, geboren in ?. Hij is overleden in ?.
Hij is de biologische vader van het kind van
1929649018899 Emma, geboren in ?. Zij is overleden in ?.

Kind van (1929649018898):

I. Hildegarde van de Vinzgau, geboren op 04-05-758 in Thionville (zie 964824509449).


Gegenereerd met Aldfaer versie 6.2 op 29-03-2018 16:04:44
Kwartieren.
vervolg 2. Robert
vervolg 1. Robert.