De Serrij Familie

Prehistorie

De prehistorie is (per definitie) de periode waarover geen geschreven bronnen beschikbaar zijn. Pas in de Romeinse tijd kwamen de eerste geschreven bronnen beschikbaar.

Het Nederland in de huidige betekenis bestond niet voor de late Middeleeuwen. Voor die tijd is het beter te spreken van 'het gebied van het huidige Nederland'. Dit gebied is al vele tienduizenden jaren bewoond, tenminste de droge kust stroken en de hoge zandgronden. De oudste in Nederland teruggevonden archeologische sporen zijn 250.000 tot 350.000 jaar oud. De eerste vaste bewoners waren jagers. Van hun aanwezigheid getuigen nog bijlen en pijl spitsen van vuursteen. De eerste kano van de geschiedenis komt uit deze periode, circa 7900 v.Chr.). Na de ijstijd, was het gebied bewoond door diverse stammen, zoals blijkt uit een jacht kamp dat gevonden is bij Bergumermeer, in Friesland (ongeveer 8000 v.Chr.).

Rond 5300 v. Chr. begon de Neolithicum periode met de eerste landbouwers die naar het gebied kwamen, zoals te zien is aan graf vondsten en sporen van boerderijen op het löss-plateau in Zuid-Limburg. Deze cultuur kon zich niet uitbreiden naar de rest van "Nederland" omdat ze nog geen ploeg kenden om de kleigronden mee te bewerken. Bovendien was Nederland een heel geschikt gebied voor jagers. Ten westen van de huidige provincies Noord-Brabant, Gelderland, Overijssel en Drenthe was Nederland één grote moeras delta doorsneden door talloze beken, meertjes en veen gebieden. Het IJsselmeer bestond nog niet en was een reusachtig veen moeras. Hierin wemelde het van de watervogels en vissen die een goede voedsel bron voor jagers en verzamelaars vormden. Rond 4500 v.Chr. verdween deze landbouw cultuur tijdelijk.

Ongeveer 3400 v.Chr. bevond zich in Drenthe de trechter beker cultuur die de bekendste monumenten uit de regionale prehistorie heeft achtergelaten: de hunebedden. Na 2900 v.Chr. is deze cultuur weer verdwenen.

In het westen van Nederland zijn resten gevonden van de Vlaardingen cultuur, genoemd naar de eerste vindplaats Vlaardingen. Deze cultuur beslaat de periode van 3500 v.Chr. tot 2500 v.Chr.

Het eerste wiel dat is gevonden dateert van ongeveer 2400 v.Chr. Misschien is dat ontdekt door mensen van de klokbekercultuur, die nederzettingen bouwden langs de Atlantische kust van Marokko tot aan Scandinavië. Voor het eerst vond er ook metaal bewerking plaats in Nederland, zoals het stenen aambeeld  en koperen tong dolkjes die op de Veluwe  bij Lunteren zijn gevonden.

De metaal bewerking breidde zich uit tegen 2000 v.Chr., waarmee de bronstijd aanbrak.

Die bracht vooral veel welvaart in Drenthe, waar waarschijnlijk een belangrijke handels route doorheen liep richting Oostzee en Scandinavië.

Omstreeks het eerste millennium voor de jaartelling kwamen er Keltische stammen naar het gebied van Nederland en verdreven en/of vermengden zich met de oorspronkelijke bevolking. Dit proces herhaalde zich in de eerste eeuwen voor de jaartelling toen Germaanse stammen vanuit het oosten Nederland binnentrokken en zich vooralsnog in de noordelijke streken en rond de grote rivieren vestigden.

 

Romeinse Tijd

De Chauken waren een volk dat leefde van de visvangst tijdens de Romeinse periode in Nederland.

Aan het einde van de 1e eeuw v.Chr. kwamen de Romeinen naar de Rijndelta.

In eerste instantie werd geheel Nederland bezet, inclusief de Friese gebieden in het noorden, met het oog op de geplande verovering van ''Germania''. In de loop van de 1e eeuw werd wegens de slecht verlopende veldtochten in Germania de grens naar midden Nederland verlegd. Officieel geldt het jaartal 47 als het moment waarop besloten werd de Rijn als grens te gaan inrichten. Voor het grootste deel van de Romeinse periode werd de grens van het Romeinse Rijk gevormd door de Rijn, langs de lijn Nijmegen – Utrecht  - Katwijk (Zuid-Holland), de zogenaamde Limes.

In de ''Commentarii Rerum in Galliae gestarum'' beschrijft Julius Caesar zijn gevechten tegen de Belgen in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de Gallische oorlog in 57 v.Chr. en maakte daarmee een eind aan de prehistorie voor de Nederlanden.

De kustlijn zag er toen geheel anders uit dan tegenwoordig. Een relatieve langzame zeespiegel stijging in combinatie met het waarschijnlijk vaker voorkomen van stormen kan één van de oorzaken zijn geweest van de kust erosie die begon tussen de 5e en de 1e eeuw v.Chr. in West-Nederland. Terwijl in de periode daarvoor de kustlijn zich gesloten had, afgezien van de rivier mondingen van de Schelde (via de Oosterschelde), de Maas (bij Rotterdam), de Rijn (bij Leiden) en het Oer-IJ (bij Castricum), werden deze mondingen hierna weer steeds wijder. Het hoogveen gebied achter de strand wallen raakte door de inbraken van de zee, maar ook door de toenmalige bewoners ontwaterd en klonk in. Vooral in Zeeland kwam het veen zo laag te liggen, dat het rond het begin van de jaartelling overspoeld werd door de zee en de veen vorming stopte. Hoewel er tot in de 3e eeuw op het veen werd gewoond, kwam de zee aan het einde van deze eeuw diep in Zeeland, wat in combinatie met het turf steken voor de zoutwinning, zorgde voor erosie van het veen. Aan het einde van de Late Middeleeuwen was de kust barrière hier bijna volledig verdwenen.

Ook in het noorden was het veen vrijwel geheel verdwenen. Het Flevomeer ontwikkelde zich na de Romeinse tijd door de afslag van de oevers tot het Almeremeer. Het Oer-IJ was toen al vrijwel geheel gesloten. Waarschijnlijk ontstond in de Vroege Middeleeuwen via het Vlie een verbinding tussen het Almere en de Waddenzee. In de 9e en de 10e eeuw ontstond door afbraak in Friesland de Middelzee.

In de Romeinse tijd vonden steeds meer  stroomgordel verleggingen  plaats. Door verzanding van de monding van het Oer-IJ werd vanaf 47 n. Chr. de Oude Rijn (Harmelen-Noordzee) de noord grens van het Romeinse Rijk voor enkele eeuwen. De Lek , de Waal, de benedenloop van de Hollandse IJssel, en de Gelderse IJssel ontstonden, terwijl de Linge net daarvoor was ontstaan. De Oude Rijn verzandde doordat de Rijn steeds meer via de Maas ging lopen.

In tegenstelling tot de Chauken, hielden de Friezen zich voornamelijk bezig met de veeteelt. Dit veranderde in de 3e en 4e eeuw toen het Friese land regelmatig overstroomd werd. Hierdoor gingen ze zich meer toeleggen op de visserij en de handels vaart, waardoor ze een zekere rijkdom verwierven.

In de Romeinse tijd werden de eerste steden in het huidige Nederland gesticht: Nijmegen (stad der Bataven, rond huidige Valkhof) aan het begin van de jaartelling. Omstreeks 122 stichtte keizer Hadrianus, Voorburg als stad der Caninefaten. Heerlen en Maastricht waren stedelijke nederzettingen die zich spontaan ontwikkelden aan belangrijke land- en waterwegen. Vooral langs de Maas en in de Betuwe liggen stedelijke nederzettingen en dorpen met Romeinse wortels. Volgens recent archeologisch onderzoek is Maastricht sinds de Romeinse stichting continu bewoond gebleven. Met name de vestiging van een bisschop zetel rondom het graf van Sint Servaas heeft de bewoning continuïteit bevorderd. De meeste andere woonplaatsen zijn (waarschijnlijk) korte tijd verlaten geweest tijdens de chaotische periode van de volksverhuizingen in de periode 300-500.

Ten noorden van de Rijn, buiten het Romeinse Rijk, woonden de Friezen. Ook daar had de Romeinse cultuur veel invloed. Dit blijkt uit de vele Romeinse gebruiksvoorwerpen en munten die in grafvelden en terpen zijn gevonden. Dit wijst op een levendige handel tussen de Friezen en het naburige Rijk. Ook weten we uit schriftelijke historische bronnen dat sommige Friezen, evenals leden van andere stammen die niet rechtstreeks onder Romeins bestuur stonden, dienst namen in het Romeinse leger en daarmee, na hun diensttijd, ook veel Romeinse cultuur en gebruiken naar huis meenamen. In het gebied aan de rijksgrens woonden de West-Germaanse stammen van de Bataven en de Caninefaten. Nijmegen was de hoofdstad der Bataven. In 69 kwamen de Bataven in opstand tegen de Romeinen.

Nadat de Bataven weer gepacificeerd waren was het gedurende twee eeuwen rustig in de Rijnprovincies. De rivier gronden en het Brabantse en Limburgse achterland werd grotendeels opgedeeld in grote landerijen met vaak een imposante villa als centraal gebouw. De eigenaren waren rijke burgers die veelal hun hoofd domicilie in de nieuwe steden Keulen,  Xanten of Heerlen hadden. De inheemse Germaans/Keltische bevolking romaniseerde geleidelijk aan en bewerkte het land van de villa-eigenaren, beoefende ambachten of diende in het leger. De economie was vooral gericht op de behoefte vervulling van de grote legerplaatsen die langs de nabije rijksgrens lagen. Vanaf de tweede helft van de 3e eeuw veranderde dit vredige bestaan toen de rijksgrens steeds meer onder druk kwam te staan. Er kwamen steeds vaker overvallen van plunderen de 'over-Rijnse' stammen en ook de met veel geweld gepaard gaande troonswisseling en van de keizers maakte de situatie van de bevolking er niet beter op. Tenslotte was er ook de steeds extremere belastingheffing die de bevolking sterk verarmde.

Een met name opdringerige groep waren de Franken, die in Oost-Nederland in het bijzonder, de Saliërs en Chamaven (afkomstig uit Salland, Veluwe, Achterhoek, aangrenzend Westfalen). Zij waren goed vertrouwd met de Romeinse leger cultuur en werden vermoedelijk met wisselend succes ingezet in de verdediging van de Limes. Rond 290 trokken de Salische Franken deze streken binnen, en vestigden zich in het Romeinse gebied ten zuiden van de Rijn, in het bijzonder rond de Schelde  en later in Zuid-België en Noord-Frankrijk. De Bataven en de Canninefaten zijn waarschijnlijk opgegaan in de Franken, hoewel ook wel wordt vermoed dat zij met de Romeinen zijn vertrokken. Meerdere Romeinse pogingen zich van de Franken te ontdoen faalden, en in 355 gaf Julianus  de Franken het gebied dat tegenwoordig Vlaanderen en Zuid-Nederland vormt als '' federalen'' (aan de Romeinen verbondenen) in bezit.

 

Vroege Middeleeuwen

Na de grote volksverhuizingen en de mede daardoor veroorzaakte val van het West-Romeinse Rijk in West-Europa (het Oost-Romeinse Rijk bleef nog eeuwenlang bestaan), was het gebied in drie delen verdeeld. De Friezen woonden langs de kusten, de Saksen in het oosten en de Franken in het zuiden. Grensstad van de Franken was lang Nijmegen, alwaar zij een palts (verblijfplaats) vestigden. De Franken breidden hun gebied steeds verder uit.

Onder Karel de Grote beheerste het Frankische rijk rond 800 vanuit zijn kern in het huidige België en Noord-Frankrijk een groot deel van Europa  waaronder het huidige Duitsland en Noord-Italië. In deze tijd werden na de Franken ook de Friezen en Saksen tot het christendom bekeerd, veelal door rondtrekkende predikers, dikwijls Angelsaksische monniken zoals Willibrord, Bonifatius , en Adelbert van Egmond.

Een belangrijke bloeiende handelsplaats van circa 600 tot 850 was Dorestad. ( Gelegen bij het huidige Wijk bij Duurstede ) Door de grote omvang van het rijk was Karel de Grote genoodzaakt om het land te laten besturen door leenmannen die aan hem verantwoording schuldig waren. Geleidelijk aan werd de functie van leenman erfelijk en ontwikkelde het systeem zich tot het feodalisme dat tot aan de Nieuwe Tijd Europa beheerste.

Bij het Verdrag van Verdun in 843 werd het Frankische rijk verdeeld tussen de drie kleinzonen van Karel de Grote. Nederland kwam aan het Midden-Frankische Keizerrijk, ook wel genoemd naar de eerste keizer, Lotharius, Lotharingen (Frankrijk). Na het verdrag van Meerssen in  870 werd het midden rijk verdeeld tussen het West-Frankische Rijk, het latere Frankrijk, en het Oost-Frankische Rijk, het latere Heilige Roomse Rijk. Het gebied van het huidige Nederland maakte deel uit van het Heilige Roomse Rijk (behalve Zeeuws-Vlaanderen: ( de Schelde  was de grens). Dorestad stond van ongeveer 840 tot 880 onder bestuur van de Viking, Rorik. In 866 en 882 vonden Viking aanvallen plaats in de IJssel streek waarbij handelsplaats en kerkelijk centrum Deventer en de hof en nederzetting van Zutphen werden geplunderd. In 882 bezetten Vikingen zelfs het Valkhof te Nijmegen om daar te overwinteren. Tegen het jaar 1000 verminderde de ''plaag uit het noorden'' en hield op toen de Vikingen overgingen tot het christendom.

 

Het ontstaan van Nederland

Late Middeleeuwen

Het Heilige Roomse Rijk bleef geen politieke eenheid. Lokale leenmannen, officieel de vertegenwoordigers van de keizer, vormden hun graafschappen en hertogdommen om tot kleine privé-vorstendommen, en waren nog slechts in naam afhankelijk van de keizer. De vele lokale leenmannen hielden zich tenslotte hoofdzakelijk bezig met het vergroten van hun persoonlijke macht ten koste van hun buren. Grote delen van de Lage Landen  werden beheerst door elkaar onderling bestrijdende vorsten zoals de hertog van Gelre, de hertog van Brabant en de bisschop van Utrecht. En ook de bisschoppen van Bisdom Luik en Keulen mengden zich dikwijls in de politieke strijd. Geleidelijk kwam aan de kust het graafschap Holland op. Friesland en Groningen kenden een geheel afwijkende ontwikkeling, een landsheer heeft zich daar nooit blijvend kunnen handhaven.

 

Het herstel van de chaotische 'vroege/donkere Middeleeuwen zette zich ook na de Karolingische renaissance onverminderd voort. De bevolking groeide weer, talloze nieuwe steden ontstonden en de handel breidde zich sterk uit. Ook de [[Lage Landen (staatkunde)|Lage Landen]] profiteerden hiervan. Het economische zwaartepunt lag tussen [[1100]] en [[1500]] duidelijk in Vlaanderen waar [[Brugge]] en [[Gent]] door de toenemende handel zeer welvarend werden. Belangrijk was de handel tussen het [[Rijnland (Duitsland)|Rijnland]] (glas, aardewerk, metalen) en [[Engeland]] (wol) die hier samenkwam. In het oosten waren het de [[IJssel]]steden die zeer grote welvaart bereikten door de handel binnen het [[Hanze]]verbond (voornamelijk wol, graan, hout). Het zuidelijke deel (het huidige België en een deel van Noord-Frankrijk) was duidelijk het belangrijkste, maar vanaf de [[14e eeuw]] begon het gewest Holland belangrijker te worden. De voornaamste stad van dat gewest was in die dagen [[Dordrecht (Nederland)|Dordrecht]]. Met de [[Vrede van Kopenhagen (1441)|Vrede van Kopenhagen]] uit [[1441]] lag de Oostzee open voor Hollandse kooplieden en nam de invloed van de Hanze af.

Bourgondische Tijd

 

Door verovering en strategische huwelijken van de hertogen van Bourgondië ontstond het Bourgondische rijk , dat op zijn hoogtepunt zich uitstrekte van de Alpen tot Holland; het speelde een grote rol in de Honderdjarige Oorlog tussen de Engelse en Franse koningen. Het was de spreekwoordelijke derde hond en het been. Het Bourgondische rijk bestond uit een reeks feodale bezittingen aan beide zijden van de Frans-Duitse taalgrens. Hertog Karel de Stoute centraliseerde zijn bestuursorganen in de welvarende en daardoor belangrijkste gebieden van zijn bezittingen: de Lage Landen. Hij verplaatste zelfs de hoofdstad van zijn rijk van Dijon naar Brussel .

 

Nadat mede door toedoen van Jeanne d'Arc]de Engelsen verdreven waren hadden de Franse ridders de handen weer vrij en was Bourgondië aan de beurt om door het opkomend Franse koninkrijk ingelijfd te worden. De machtigste hertog Karel de Stoute, bleek tevens de laatste te zijn en vond in de strijd tegen de Zwitsers in 1477 de dood tijdens de slag bij Nancy. Zijn dochter hertogin Maria van Bourgondië  verloor het stamland Bourgondië. Samen met haar echtgenoot Maximiliaan I van Oostenrijk regeerde zij vanuit Brussel, wat haar overbleef: de Nederlanden; dit was wel nog steeds het rijkste en welvarende gebied van het voormalige Bourgondische Rijk.

 

Habsburgse Tijd

 

De zoon van Maximiliaan en Maria, Filips I van Castilië, ( zgn. Filips de Schone), trouwde met de Spaanse prinses Johanna de Waanzinnige. Dit zou tot gevolg hebben dat de Habsburgers een rijk opbouwden dat bestond uit drie delen: een Oostenrijks, een Spaans en een Bourgondisch deel.

De Oostenrijkse, Spaanse en Bourgondische gebieden kwamen via Maximiliaan bij overerving terecht bij zijn kleinzoon keizer Karel V. Karel was in 1500 in Gent geboren en werd later tevens keizer van het Heilige Roomse Rijk. Toch moest hij voor een klein deel van zijn Zeventien Provinciën, waaronder Vlaanderen, nog steeds trouw  zweren aan zijn rivaal de Franse koning. Beide vorsten waren het eens dat dit uit de tijd was en in de Pragmatieke Sanctie werd er besloten dat alle zeventien gewesten losgemaakt werden van zowel Frankrijk als het Duitse Rijk. Karel had zoals alle vorsten uit zijn tijd zijn zinnen gezet op het versterken van zijn persoonlijke macht ten koste van de regionale adel en de vrijwel onafhankelijke steden. De rechten van de oude feodale adel met zijn vele graven en hertogen ging betrekkelijk gemakkelijk in zijn handen over, maar met de grote steden van het Zuiden had hij het niet zo gemakkelijk. De tegenzin tegen zijn centralistische politiek nam langzamerhand toe. Hertogdom Gelre bleef onder hertog Karel van Gelre] lang buiten zijn rijk en pas in 1543 werd Karel ook Hertog van Gelre. In de 16e eeuw nam een deel van bevolking van de Nederlanden deel aan de reformatie (hervorming) en werd dus protestant. Filips II van Spanje, zoon van Karel V, was strikt Rooms-katholiek, dus dit verontrustte hem zeer. Anders dan zijn vader was hij Spanjaard, geen Nederlander. Hij is alleen in het begin van zijn regering in de Lage Landen geweest, terwijl zijn vader was opgegroeid in Gent en heer der Nederlanden was geworden voordat hij koning van Spanje werd. Uiteindelijk liepen de spanningen uit op de Tachtigjarige Oorlog (1568 -1648).

 

Tachtigjarige Ooorlog  ( 1568-1648 )

 

De pogingen van Filips II van Spanje om de protestanten, die in de Nederlanden vooral van Calvinistische signatuur waren, te onderdrukken en om regering, rechtspraak, en vooral belasting ( fiscaal ) te hervormen en te centraliseren, leidden tot een opstand. De Stadhouder van de Spaanse koning Willem van Nassau, Prins van Oranje, liep over naar de opstandelingen en nam later zelfs de leiding in de opstand. Hoewel er ook in het Zuiden veel wrevel tegen de koning was, begon de openlijke opstand in Holland (Den Briel op 1 april 1572) en Zeeland. De opstand van Holland werd officieel bekrachtigd tijdens de Eerste Vrije Staten-vergadering van de Staten van Holland en West-Friesland in Dordrecht in juli 1572. De koning behaalde wel wat militaire successen, maar de opstand werd er niet mee bedwongen; hij ging bovendien bankroet aan de hoge kosten van de huurlingen. Dezen gingen in 1576 muiten wegens gebrek aan soldij, met name in Antwerpen; dit werd de Spaanse Furie genoemd. De Staten-Generaal van het Koninkrijk der Nederlanden kwamen bijeen om in naam van de koning (maar achter zijn rug om) hier een eind aan te maken. Met deze Pacificatie van Gent (1576) zag het er even naar uit dat de Nederlanden één lijn zouden trekken. Maar spoedig bleken sommige Zuidelijke gewesten bereid om zich weer naar de koning te schikken. Zij vormden de Unie van Atrecht 1579 (nu: Arras, een stad in Noord Frankrijk).

 

In de Unie van Utrecht (1579) vormden de zeven noordelijke provincies de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Die delen van het Zuiden die meededen met de opstand werden al spoedig door de koning heroverd. Antwerpen  bijvoorbeeld viel in 1585. Veel handelaren en mensen met allerlei vaardigheden vluchtten naar het Noorden.

 

De onafhankelijkheids strijd sleepte zich nog voort tot 1648 en wordt ook wel de Tachtigjarige Oorlog genoemd. Tijdens deze periode werd er niet continu gevochten. Hoewel er soms flinke belegeringen en veldslagen plaatsvonden, waren er ook lange periodes van vrede, zoals het Twaalfjarig Bestand.

 

Bij de Vrede van Westfalen in 1648 te Munster, werd de onafhankelijkheid van de Republiek eindelijk door Spanje en ook internationaal erkend. Ook werd bevestigd dat de Republiek geen deel meer was van het Heilige Roomse Rijk. Het Zuiden werd daar wel weer een deel van, inclusief Vlaanderen.

 

De nieuwe Republiek werd wel de Grote Uitzondering van de 17e eeuw genoemd, omdat in tegenstelling tot de meeste landen in Europa de ''derde stand'', vooral de handelaren van de steden, het voor het zeggen kregen. Zij ruilden een feodaal systeem in voor iets nieuws dat later kapitalisme zou gaan heten. In Antwerpen kwamen al handelaars samen bij een effectenbeurs om aandelen te verhandelen. Amsterdam nam dat over en spoedig waren er verzekeringsmaatschappijen en zelfs de eerste speculatie-crash: de Tulpenmanie in 1637.

 

Gouden Eeuw

Gedurende de Tachtigjarige Oorlog begon ook de grootschalige overzeese handel in Nederland: De Nederlanders jaagden op walvissen rond Spitsbergen, handelden in specerijen uit India en de Indonesische archipel, en stichtten koloniën in Brazilië, Nieuw-Nederland (tegenwoordig de staat New York), Zuid-Afrika, en het Caraïbisch gebied. Nederlanders heersten ook over de eilanden Ceylon (het tegenwoordige Sri Lanka) en Formosa (het tegenwoordige Taiwan). In de Indonesische archipel ontstond de grootste kolonie, het latere Nederlands-Indië.  Vanwege de rijkdom die met de handel werd bereikt - geruime tijd was de Republiek zelfs de rijkste natie van het Westen - werd de 17e eeuw bekend als de Gouden Eeuw voor Nederland. In deze periode werden vele pakhuizen gebouwd.De Republiek werd geregeerd door een aristocratie van gegoede burgerij (de ''regenten''), en niet door een koning of door edelen. De diverse steden en provincies genoten een grote mate van onafhankelijkheid; in theorie had elk haar eigen regering en wetten, hoewel een aantal gebieden (zoals Brabant en Limburg) onder het centraal gezag vielen. Hoewel de Republiek als een tolerante staat gold, was het katholicisme een onderdrukte godsdienst.

Het politieke bestel was eigenlijk al verouderd voordat de vrede getekend was, maar omdat veranderingen in het systeem al gauw gelijkgesteld werden aan de opdringerigheid en dwingelandij van de afgezworen koning, werd het systeem tot 1795 niet veranderd.

 

De Engelse Oorlogen

 

In 1650 stierf Willem II van Oranje-Nassau en had het land geen samenbindende sterke leider meer. In 1651 werd in Engeland de Akte van Navigatie ingesteld, die grote nadelige gevolgen had voor de Nederlandse handel. Nederlandse bezwaren leidden tot de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog (1652-1654). Bij de eerste Vrede van Westminster (1654) werd bepaald dat deze wet in stand bleef.

 

De Republiek en Engeland kwamen opnieuw in conflict, en in 1665 verklaarde Engeland de oorlog (Tweede Engels-Nederlandse Oorlog). Voordien hadden de Engelsen reeds nederzettingen in Nieuw-Nederland aangevallen. Nederland moest zich ook bezighouden met de Franse invasie in de tijd van Lodewijk XIV van Frankrijk, en nadat admiraal Michiel Adriaenszoon de Ruyter de Theems opvoer en een deel van de Engelse vloot vernietigde in de tocht naar Chatham, werd de Vrede van Breda gesloten (1667). De Engelsen kregen de Nederlandse bezittingen in Noord-Amerika, bijvoorbeeld Nieuw-Amsterdam  het latere New York City, maar Suriname werd Nederlands en de Akte van Navigatie werd versoepeld.

 

Rampjaar

 

1672 werd in Nederland bekend als het '' rampjaar''. Engeland verklaarde de Republiek de oorlog, en zowel Frankrijk als de bisdommen Münster  en Keulen deden hetzelfde. Frankrijk, Keulen en Münster vielen de Republiek binnen; een Engelse landings poging werd ternauwernood verijdeld. Raadspensionaris mr. Johan de Witt en zijn broer Cornelis de Witt werden door het Haagse gepeupel op gruwelijke wijze vermoord. Willem III van Oranje-Nassau, verdacht van het complot, werd daarna stadhouder. Met hulp van andere Duitse staten wist Nederland de aanvallers terug te drijven, en Engeland (Vrede van Westminster (1674), Keulen en Münster sloten vrede in 1674. In 1678 werd ook met Frankrijk vrede gesloten.

 

Personele Unie met Engeland

 

Nadat koning Jacobus II van Engeland onttroond was door het Engelse Parlement, werd diens schoonzoon, stadhouder Willem III, in 1689 gevraagd om ook koning van Engeland te worden. Willem had daar wel oren naar en viel met een reusachtige vloot (zelfs veel groter dan de Spaanse Armada van 100 jaar eerder) bemand met een grotendeels Nederlands leger Engeland binnen, ontbond het Engelse leger en gaf de soldaten van zijn tegenstribbelende schoonvader Jacobus het bevel Londen te verlaten. Deze vluchtte naar Ierland  en nadat hij de Slag aan de Boyne verloor vluchtte hij naar Frankrijk. Zo liepen er dus een tijdlang Nederlandse soldaten op wacht in de straten van Londen. Wat dat betreft zijn de Nederlanders de laatsten die Engeland 'veroverd' hebben, hoewel je het met goed recht ook zou kunnen zien als slechts een volgende troonswisseling, waarvan er in de Engelse geschiedenis zo veel zijn geweest - waarbij dan Nederland en Engeland eerder in een personele unie verenigd werden dan dat het ging om een letterlijke inlijving van Engeland in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.  Willem III moest om koning te mogen worden aan het Engelse Parlement ook meer macht geven. Met het bewind van Willem en Maria II van Engeland (Maria Stuart ) (in Groot-Brittannië bekend als de ''Glorious Revolution'' van ''William and Mary'', werd een eind gemaakt aan een hele roerige periode in de Engelse geschiedenis, waarin ook de Engelsen voorgoed afrekenden met hun absolutistische koningen. In 1702 viel Willem echter van zijn paard en stierf hij te Hampton Court Palace. Omdat er geen beschikkingen waren om de troonsopvolging in de lijn van Oranje voort te zetten - in tegendeel zelfs - eindigde daarmee het koninklijke avontuur voor Nederland, althans wat betreft Engeland, want pas later in 1815 zou de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, overgaan in het Koninkrijk der Nederlanden.

 

Willem III bracht tevens zijn bankiers en raadgevers naar Londen en voerde economische verbeteringen door. Vanaf zijn tijd begon Engeland steeds meer de Republiek te overvleugelen, vooral in de koloniale handel. Voor een deel kwam dat omdat Engeland nu (ironisch genoeg grotendeels door Willems hervormingen) een goed functionerend Centraal gezag had. Maar de grootste reden voor deze 'trend wisseling was de sterk toegenomen bevolking van Engeland, die in het algemeen goed was opgeleid en daarmee dus bovendien de productie per persoon kon vergroten. Bovendien wist het vernieuwde Engelse bestuur heel goed waar de prioriteiten lagen voor een handels- en maritiem rijk en steunden daarom flink handel, economie en technische vernieuwingen; zo werd de vloot sindsdien voortdurend 'up-to-date' gehouden en flink uitgebreid.

 

Achteruitgang

 

In Nederland daarentegen werden de regenten ondertussen steeds gezapiger; ze hadden het goed, waarom zouden ze ook maar iets veranderen? De eens zo oppermachtige vloot werd sterk verwaarloosd en rotte weg in de havens. Alarmerende waarschuwingen vanuit marine en leger werden in de wind geslagen. De regenten hadden niet in de gaten, of waarschijnlijker, het interesseerde hen niet dat de rest van Europa niet stil bleef staan en hen economisch, technisch en militair inhaalde.

 

Achtiende eeuw.

 

Toen het in de eerste helft van de 18e eeuw weer eens minder goed ging met de Republiek zochten de regenten een nieuwe “sterke man “ en werd de Friese stadhouder onder de naam Willem IV in 1747 stadhouder in de hele Republiek. Hij kreeg bijna koninklijke macht maar overleed reeds vier jaar later. Zijn zoon Willem V werd toen stadhouder.

Nederland was na Frankrijk het 2e land dat de Verenigde Staten erkende, en de Britten verklaarden het de oorlog om te voorkomen dat Nederland eerst met andere neutrale landen een alliantie zou gaan aangaan en dan alsnog in de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog betrokken zou raken. Deze vierde Engelse Ooorlog ( 1780-1784 ) betekende een ramp voor Nederland, vooral economisch. In 1786 en 1787 escaleerde de problemen. De Nederlandse Patriotten wilden de oude vrijheid op de Oranjes heroveren, stadhouder Willem V vluchtte uit Holland. Met hulp van de Pruisen en de Engelse koning werd de Oranje restauratie hard ingezet. Willem V werd in zijn positie hersteld. Vele Nederlandse Patriotten vluchtten daarop naar Noord-Frankrijk.

Franse Tijd

 

Na de Franse Revolutie vielen de Franse troepen in 1795 Nederland binnen. Zij bezorgden daarbij de Patriotten, die samen met de Franse legers weer terugkeerden, alsnog de macht en vestigden de Bataafse Republiek. Stadhouder Willem V vluchtte naar Engeland.

 

De Republiek werd echter al snel verscheurd door de onderlinge twisten van de Patriotten: er vonden binnen korte tijd zelfs verscheidene staatsgrepen plaats. In 1801 werd na een grondwetswijziging het Bataafs Gemenebest ingesteld, als vervanging van de Republiek.

Ondanks vele wijzigingen was de inmiddels aan de macht gekomen Napoleon nog niet tevreden. In 1806 vormde hij het Bataafs Gemenebest ( waaraan het Duitse Oost-Friesland werd toegevoegd )  om tot het Koninkrijk Holland.  Napoleon stelde zijn broer Lodewijk Napoleon aan als koning. Ook dit koninkrijk was geen lang leven beschoren, want Lodewijk Napoleon stelde de Nederlandse belangen vaak boven de Franse waarmee hij onder de Nederlanders zelf erg populair werd. Dit zinde Napoleon niet, en na een paar keer zijn broer tevergeefs te hebben gewaarschuwd, lijfde hij Nederland in 1810 alsnog in bij het Franse Keizerrijk.

 

Intussen had het naar Engeland gevluchte huis van Oranje een verdrag met de Britten gesloten, waarbij deze de kolonies in “onderpand” kregen. Aan de koloniale gouverneurs werd door de stadhouder de opdracht gegeven zich aan de Engelsen over te geven. Hierdoor kwam een einde aan een groot deel van de Nederlandse koloniale macht: Guyana en Ceylon werden nooit meer teruggegeven, de Kaapkolonie daarentegen wel, maar ook deze kolonie werd in 1806 opnieuw, en nu definitief, door de Britten bezet.

Negentiende eeuw

 

Nadat de napoleonse troepen zich in 1814 hadden teruggetrokken, kwam Nederland als staat terug op de kaart van Europa. Nederland had altijd al een belangrijke rol gespeeld als buffer om de Franse expansie drift in toom te houden, en in het bijzonder de staar van Rusland wilde dat zo houden. Hij vroeg daarom om teruggave van de Nederlandse koloniën en herstel van de vooroorlogse situatie. De Britten dachten daar echter anders over. Ze wilden de rijke en strategisch belangrijke Nederlandse koloniën bij hun eigen overzeese Imperium voegen en wilden de Nederlanders daarvoor compenseren door hen meer grondgebied aan hun oost en zuid grenzen te geven. De Oostenrijkers hadden daar wel oren naar want ze wilden eigenlijk af van hun Zuid-Nederlandse bezittingen die ver van Wenen lagen. De Oostenrijkers zagen bovendien het liefst deze gebieden bij de Republiek gevoegd. De andere optie, bij Pruisen, wilden ze absoluut niet om de groeiende Pruisische invloed in de Duitse  landen niet nog meer te vergroten. Er lagen verschillende uitbreidingsplannen op tafel; o.a. Een vereniging van de republiek en de Lage Landen, het Rijnland tot aan de Moezel samen met de oorspronkelijke Oranje-Nassau gebieden over de oostelijke Rijnoever.

Prins Willem Frederik van Oranje, de zoon van de laatste stadhouder van de Republiek, Willem V, probeerde deze optie door te drukken. Pruisen, dat in het zelfde gebied uitbreiding nastreefde, had hier begrijpelijker wijze ernstig bezwaar tegen. Op het congres van Wenen ( 1814-1815 ) werd een compromis tussen de Britten, Russen en Pruisen bereikt; alleen de kolonie Nederlands-Indië kwam terug in Nederlandse handen, maar Noord en Zuid-Nederland werden herenigd.

Verenigd Koninkrijk der Nederlanden

 

Nederland werd een monarchie met Willem Frederik als koning Willem I. Nederland omvatte toen Nederland, België en Luxemburg.

Willem pakte de wederopbouw voortvarend aan en stimuleerde handel en industrie.  Zo liet hij talrijke kanalen en wegen verbeteren.

Helaas de Belgen voelden zich achtergesteld in bestuur en leger. Bovendien waren er grote religieuze verschillen ( het katholieke zuiden en het protestantse noorden ), economische en taalkundige verschillen. Bovendien werden deze verschillen geaccentueerd en aangewakkerd door Frankrijk, dat immers niets moest hebben van een sterke bufferstaat aan zijn grens, en meende recht te hebben op de Zuidelijke Nederlanden.

Belgische opstand

 

In 1830 kwamen de spanningen tot een uitbarsting. De Belgen kwamen in opstand na grote rellen en verklaarden zich onafhankelijk na mislukte pogingen ter vereniging met Frankrijk dat de Britten en Pruisen natuurlijk niet zagen zitten en nadrukkelijk verhinderden. Na een oorlog van slechts enkele dagen, was Willem I gedwongen toe te geven. Bij het Verdrag van Londen in 1832 stond België oostelijk Limburg en Luxemburg af aan Nederland, waardoor het huidige Limburg definitief bij Nederland kwam. Zo ook Maastricht, dat vanaf 1830 tot 1839 geisoleerd was geweest. Dit Verdrag werd echter in 1839 door Nederland geratificeerd.

Homepage
Top.

©     Copyright   Paul Serrij   2008-2018

Prehistorie.
Bourgondische Tijd.
De Engelse  Oorlogen.
De Franse Tijd.
Romeinse Tijd.
Negentiende Eeuw.
Verenigd Koninkrijk.
Belgiesche Opstand.
Habsburgse Tijd.
Rampjaar 1672.
Vroege Middeleeuwen.
Tachtigjarige Oorlog.
Personele Unie met Engeland.
Late Middeleeuwen.
Gouden Eeuw.
Achteruitgang.
De Achtiende Eeuw.
Top.
Top.
Top.
Top.
Top.
Top.
Top.
Top.
Top.
Top.
Top.
Top.
Top.
Top.
Top.
Top.
Homepage